Geschiedenis van de ZCR.

Vooroorlogse Zweefvliegclub Rotterdam

De oprichting van de Zweefvliegclub Rotterdam is een proces van vier jaar geweest. Al in 1928 was er een groepje Rotterdammers bezig met werken, leren en sparen om te kunnen gaan zweefvliegen. Het was een groepje van ongeveer tien mensen; helaas is niet meer precies te achterhalen wie het waren. De indruk bestaat echter wel dat met dit groepje mensen de grondslag is gelegd voor de Zweefvliegclub Rotterdam . Men ging bij andere clubs leren vliegen om zo ervaring op te doen in de zweefvliegerij. Een belangrijke stimulans schijnt een kamp geweest te zijn dat in 1931 door een groep Amsterdammers georganiseerd werd. Wellicht zijn er op dat kamp door een aantal Rotterdammers al stappen ondernomen die moesten leiden tot de oprichting van een Zweefvliegclub "Rotterdam". De geruchten die zeggen dat de Zweefvliegclub Rotterdam al in 1931 zou zijn opgericht, zijn echter op geen enkele manier waar te maken. Het zou nog een jaar duren.

"20 April. In het gebouw van de R.M.V.J. te Rotterdam heeft de oprichting plaats van den Zweefvliegclub Rotterdam".

Dit is het eerste teken van leven van de Zweefvliegclub Rotterdam . Het is te vinden in het luchtvaartblad "Het Vliegveld", in het nummer van mei 1932. Wat gebeurde er op die twintigste april precies? Wie waren erbij? Over welk materiaal beschikte de nieuw opgerichte club? De antwoorden op deze vragen moeten we helaas schuldig blijven. Twee jaar later, in april 1934, verscheen er een uitgebreider bericht in "Het Vliegveld":

"Rotterdam. Hoewel onze club nog maar weinig van zich heeft laten hooren, mag men daaruit concludeeren, dat de Rotterdammers in een soort winterslaap verzonken zijn. Integendeel, er wordt hard gewerkt om het aanstaande zomerseizoen een stroom van leden te kunnen ontvangen. Op Waalhaven wordt druk geoefend en er zijn door onze, bijna 20 leden tellende club in drie maanden ongeveer 500 starts gemaakt. Op deze wijze wordt getracht een kern te vormen, waaromheen zich onze club zal kunnen uitbreiden. Eén instructeur en één technicus op 20 leden gaat nog net, maar als er meer leden bijkomen, zou de zaak spaak loopen, indien we niet zorgden voor uitbreiding van onzen staf.

Ons toestel, een "Anfänger", houdt zich uitstekend en het is een waar genoegen ermede te vliegen. De veering is subliem. De start met den 600-draads kabel is bovendien zóó soepel, dat men binnen 10 meter los is zonder den geringsten schok te gevoelen, zoodat geen kans geloopen wordt zich aan het achterhoofd te bezeeren. Overigens is dit wel jammer voor onzen technicus, die met twee badsponsen en een stuk leerdoek onze fragile hoofden tegen stooten wilde vrijwaren, daar in de praktijk dit ingenieus bedachte apparaat overbodig gebleken is. D.H. Arentz"

De naoorlogse Zweefvliegclub Rotterdam

De Tweede Wereldoorlog had in Nederland een diep spoor van vernielingen achtergelaten. De samenleving moest weer van de grond af worden opgebouwd. Vooral Rotterdam had zwaar geleden en het is dan ook begrijpelijk dat er in de eerste jaren na de oorlog niet veel tijd en geld beschikbaar was voor het oprichten van een zweefvliegclub.

De oprichting van de vooroorlogse Zweefvliegclub Rotterdam heeft ongeveer een periode van vier jaar in beslag genomen (1928-1932). Om de naoorlogse Zweefvliegclub Rotterdam weer van de grond te krijgen heeft veel langer geduurd. De eerste bijeenkomst van Rotterdamse zweefvlieg-enthousiastelingen schijnt te hebben plaatsgevonden in 1949. Het zou echter tot 1954 duren voor de Zweefvliegclub Rotterdam weer een actieve club was. Van het wederoprichtingsproces is weinig bekend. Er is in die jaren bijna niets opgeschreven en wie er precies bij betrokken zijn geweest weet niemand meer. Zeker is alleen, dat Walter Schenk en Dick Wolters bij de heroprichting een grote rol hebben gespeeld.

Het eerste naoorlogse bericht over de club komt uit Avia Vliegwereld van 1955, waarin te lezen val dat de Rotterdammers sinds 1954 samen vlogen met de West Brabantse Aeroclub op het vliegveld Woensdrecht. Een Rotterdams vliegveld was er in die tijd niet. Waalhaven werd na de oorlog niet meer als vliegveld gebruikt en Zestienhoven was nog een drassige polder met grazende koeien.

Zo werd Woensdrecht de eerste thuisbasis van de "nieuwe" Zweefvliegclub Rotterdam. Dit betekende dat elk weekend een lange reis moest worden gemaakt van Rotterdam naar het verre Brabant. Van zaterdag op zondag werd meestal overnacht bij de gastvrije WBAC-leden en zondagavond na het vliegen werd de thuisreis weer aanvaard. Het schijnt dat men in die eerste jaren over een van de KNVVL gehuurde tweezitter beschikte. Verder werd gebruik gemaakt van de WBAC-vloot. In 1955 maakte onze club 577 starts, zegt Avia. Dat jaar maakte de Staatscourant melding van het aanvaarden der statuten van de "Zweefvliegclub Rotterdam"; dag der oprichting 16 februari 1955. In deze Woensdrecht-tijd ontstond het plan voor de bouw van een eigen lier. Het bleeft natuurlijk niet bij plannen en in februari 1957 was het wonder dan ook gereed. In 5500 uur gebouwd door een groep harde werkers in de garage van de firma Pieterse in de Maasstad. Een enkel lid in 1982 herinnert zich nog deze geweldige klus, die toch werd uitgevoerd in een tijd dat van de vrije zaterdag nog niemand had gehoord. Cees Schippers, Walter Schenk en Otto v.d. Akker waren o.a. de bouwers.

De samenwerking met de WBAC heeft geduurd tot 1958. In dat jaar kregen we toestemming om naar Ypenburg te komen. Hiermee waren de reisproblemen opgelost en kon de ZCR, hoewel niet op een Rotterdams vliegveld maar toch dicht bij huis, het vliegen voortzetten. Van de KLu kregen we het kleine hangaartje aan de zuidwestzijde van de huidige hangaar. Het was daarin passen en meten, maar toch konden er een stuk of vier vliegtuigen in. Soms, als je een stuk gereedschap uit de kast nodig had, was het gemakkelijker om maar buitenom te lopen dan je tussen de vliegtuigen proberen door te wurmen. Deze ruimte werd gedeeld met de Delftse Studenten Aeroclub, die al een tijdje op Ypenburg vloog. Het rollend materieel werd gestald in de MT-loods en de KLu stelde zelfs een Tiger-Moth beschikbaar om te slepen.

Vliegen in die eerste Ypenburg-jaren was een gemoedelijke bezigheid. De ons zo bekende volgordelijst werd nog niet gehanteerd en als er thermiek was bleef je gewoon zo lang mogelijk hangen. Niemand vond dat zo erg; een volgende keer kon iemand anders lang vliegen en de daaropvolgende keer was je zelf de gelukkige. Later, toen het ledental toenam, kon dit natuurlijk niet meer en werd een maximale vliegduur ingesteld.
Tot dusver werd het vliegend materieel gehuurd van de KNVVL, maar al spoedig gingen de gedachten uit naar een eigen vliegtuig. Het zou een Ka-8 worden, de bekende PH-312. Op 25-1-1964 werd dit trotse bezit ingevlogen door Henk v.d. Hoeven. De basis voor een eigen vloot was gelegd en in 1982 waren alle vliegtuigen clubeigendom. Omstreeks deze tijd werd het kleine hangaartje omgeruild voor de grote. Nu kon ook het rollend materieel binnen gestald worden en werd het onderhoud een stuk aangenamer.

Prestatievliegen stond aanvankelijk op een laag pitje, maar aan het einde van de zestigerjaren kwam daar verandering in. We hadden inmiddels een Ka-6 en hiermee begon men regelmatig overland te vliegen en aan wedstrijden mee te doen.

Naast de jaarlijkse clubkampen deden de privekampjes hun intrede. De eerste ons bekende tocht naar het buitenland vond in 1964 plaats toen Sjors Dierick en z'n makkers met een Ka-8 naar Oerlinghausen gingen. Vele trips zouden volgen, waaronder de eerste ZCR-golfvliegexpeditie naar Aosta in 1968. De komst van de kunststofkisten betekende een nieuw tijdperk in de zweefvliegerij en daarmee ook in het prestatievliegen.
Vele wedstrijdsuccessen waren het gevolg. Vooral Roel Kuil deed van zich spreken door, naast zijn overwinningen bij de Nationale wedstrijden, in 1976 mee te doen aan de Wereldkampioenschappen in Finland.

Het zou te ver gaan hier alle mijlpalen en wapenfeiten van de ZCR op te sommen. Bovendien zou het een droge opsomming van jaartallen en gebeurtenissen worden, wat niet de bedoeling is van dit verhaaltje. We wilden alleen in het kort de geschiedenis zo goed mogelijk weergeven en benadrukken dat onze club in al die jaren is uitgegroeid van een klein groepje enthousiaste mensen met schamel materieel tot een club die er zijn mag in Nederland en dat dit te danken is aan de geestdrift en inzet van een relatief klein an tal mensen die daardoor voor een grote groep het vliegen mogelijk heeft gemaakt.